Het moet anders. Geen televisie meer in bed. Geen talkshows waarin drie mensen tegelijk hun gelijk uitventen en elkaar overschreeuwen. Ik trek het dekbed strak, klop mijn kussen op en wacht op Klaas Vaak alsof hij een pakketbezorger is die elk moment kan aanbellen.
Hij blijft weg.
Welkom in de wereld van fotografie. Of preciezer: jezelf in onmogelijke houdingen vouwen voor een bloem die geen seconde meewerkt.
Voorjaarsvakantie. Alleen het woord al heeft iets lichts. Alsof het leven even op pauze mag en je toestemming krijgt om te lummelen. Niets hoeven, nergens naartoe, geen schema. Gewoon wat aanklooien, uit het raam staren, een kop thee die koud wordt omdat je hem vergeet.
Het smeedijzer bladderde in dunne roestkleurige velletjes. Middenin een rond stukje glas: het spionnetje waarmee oma de straat bespiedde.
Gearmd met Nina loop ik over het vakantiepark. Sinds kort bezit ze hier een huisje, vlak bij het strand. Dat noemt ze elke keer, alsof het strand anders zou weglopen. De paraplu boven ons hoofd is vooral decor. Regen snijdt van opzij onderdoor en zoekt doelgericht mijn mouw. Ik draag stevige laarzen. Nina niet.
Altijd elegant balanceert ze op stiletto’s die bij elke stap een fractie wegschieten. Haar loopje neigt naar klunen.
Lezen kan ik alleen in stilte. Echte stilte.
Ik sla mijn nieuwste boek open — Alles voor de reis van Adriaan van Dis — en meteen begint het gedonder.
Zoals altijd verscheen hij op een moment dat hij niet welkom was. Mijn roze olifant, in een van zijn varianten. Dat beest is net zo irritant als een oorwurm. Hij komt binnen en blijft minstens een dag. Soms pakt hij zijn koffer uit om weken te blijven. Zonder iets te zeggen. Zonder zich te verontschuldigen.
Plotseling knapt de ballon. Een roze vliesje kleeft aan de wangen en neus van het kind dat naast me op het schoolplein staat. Ze wacht geduldig op haar moeder. Haar hand schiet omhoog, veegt te hard en maakt het erger. De kauwgom rekt, veert terug en blijft hangen. Het beeld ontlokt me een glimlach. Even lijkt het alsof tijdreizen bestaat. In een mum van tijd sta ik weer op het plein voor mijn basisschool.
Ik zit niet op mijn centen, maar ben wel zuinig. Daarom volg ik altijd het advies: kijk in de supermarkt ook naar de producten in de onderste schappen. Net zo goed als A-merken, maar stukken goedkoper.
Prima advies met één nadeel: mijn knieën werken niet mee.
En ineens is het stil. Doodstil.
Onder de inktzwarte hemel glijdt een zwanenpaar voorzichtig het water in, gevolgd door eenden die aarzelend meebewegen, alsof ook zij zich afvragen of het gedonder nu over is. Het nieuwe jaar is begonnen. Mensen liggen nog te knorren. Vol frisse plannen, goede bedoelingen. Dat mag. Het jaar weet zelf nog niet wat het wil worden.
Het ziekenhuis ruikt naar ontsmettingsmiddel en voelt als een mierennest, bevolkt door morrende mensen en bont versierde kunstkerstbomen. Tussen al dat gemopper huppelt een klein meisje rond, alsof ze in haar eigen kerstmusical speelt. In haar blonde engelenhaar wiebelt een rendiergeweitje met knipperende lichtjes. Het is zo’n aandoenlijk plaatje dat je bijna automatisch denkt aan een kerstcommercial, waarin grootgrutters elkaar jaarlijks overbieden om ‘het échte kerstgevoel’ te verkopen.
Sinterklaas was bij ons thuis nooit een man van subtiliteit. Hij deed niet aan zachte voetstappen of een hoffelijk kuchje. Nee, hij arriveerde steevast met een bons op de buitendeur, het soort klap waarbij je verwacht dat er ergens een stuk stucwerk van de muur valt.
Er zijn plekken op aarde waar de verschillen tussen man en vrouw zich zo glashelder manifesteren dat zelfs een mol ze zou kunnen waarnemen. De Winterfair in de Brabanthallen is zo’n plek. Ik liep er samen met mijn vriendin Nina rond, tussen duizenden vrouwen – een gezellig gonzende zwerm van sjaals, tassen en het onvermijdelijke: "O, kijk dít nou!"
De kok op het tv-scherm gooit boter in de pan. Bijna ruik ik de uien die in de pan zachtjes fruiten. Mijn poging om vanavond iets eetbaars op mijn bord te krijgen is volledig mislukt: te harde aardappelen, te ver doorgekookte sperziebonen. Timing is alles, zeggen ze. Mijn timing? Rampzalig.
De eerste bolletjes steken voorzichtig boven de aarde uit. Door de zachte temperaturen lijken ze alle jaargetijden te zijn vergeten. Een bleek zonnetje gluurt door de wolken, valt op de toppen van de bomen. De geur van natte aarde en herfstbladeren kriebelt in mijn neus.
“Pluk de dag!”, “Leef in het moment!”
Tegeltjeswijsheden. Voor anderen misschien; ik kijk liever vooruit.
In de behandelkamer is het net zo koud als het water dat gorgelend mijn keel inloopt. Terwijl ik probeer niet te verdrinken, kijk ik smekend naar de parodontoloog: help!
Ze glimlacht professioneel, trekt het slangetje uit mijn mond en laat een fijne regen van zoutdruppels op mijn gezicht neerdalen. Kijk, dat noem ik service – een schoon gebit én een gratis gezichtsscrub. Nog een paar behandelingen en ik ben rimpelloos.
In de nacht van 7 november 2018 rinkelde de telefoon – op een tijdstip dat telefoons alleen maar slecht nieuws brengen.
Een verpleegkundige met een zachte stem vertelde dat mijn vader overleden was. Mijn vader – die ik de avond ervoor nog een welterustenzoen had gegeven, met de woorden: “Tot morgen!”
Die morgen kwam nooit.
Er is één ding dat ik als schrijfster niet kan verdragen: een wit scherm dat me doordringend aanstaart, alsof het zeggen wil: nou, vrouw, kom op! Had ik een spannend leven, dan kon ik daar natuurlijk over schrijven. Een bruisend feest, een ingewikkelde man die zijn sokken laat slingeren, een paar dankbare kinderen met grootse carrières – het soort ingrediënten waar columns zich vanzelf mee vullen. Maar nee. Die kinderen heb ik niet, en die man... die gooit zijn sokken in zijn eigen slaapkamer neer. Wij houden allebei van ruimte. Veel ruimte. Zóveel, dat we elkaar soms dagen niet tegenkomen.
Waarom gebeurt het toch elke keer weer? Zodra ik op het scherm lees: u wordt gecontroleerd, breekt het klamme zweet me uit. Alsof ik op heterdaad betrapt ben op iets wat ik nooit zou doen. Wat ook niet helpt: de controleur. Een forse man die weliswaar ‘goedemorgen’ bromt, maar die me aankijkt alsof ik al schuldig ben bevonden. Op zijn gemak haalt hij mijn zorgvuldig ingepakte boodschappen uit de tas: de zware spullen onderin, de eieren, groenten en een croissant erboven.
Iedereen stapt de bus in, gekleed in zijn beste kleren, alsof er een modeshow tussen de hortensia’s gepland staat. Ze glimlachen beleefd naar elkaar en mompelen een voorzichtig ‘goedemorgen’, waarna ieder weer terugzakt in zijn eigen bubbel – klaar voor de tuinreis.

