“Stop! Dat is voor leer.”
De schoenenverkoper grijpt me half in paniek weg bij de elektrische schoenpoetser.
Te laat. Onder de ronddraaiende borstels hangt wat ooit een suède laars was. Nu bungelt er iets dat eruitziet als een geschoren cavia. Midden op de neus gaapt een kale plek ter grootte van een euromunt.
De stem knalt over het water. “Ja maar dat zei ik toch!” Daarna volgt iets over quinoa en grenzen stellen. Aan de overkant marcheert een vrouw in een rode jas driftig heen en weer, telefoon aan haar oor.
“Daaaag.”
Nee, toch nog niet klaar.
“Martijn, ik ga ophangen!”
“Doe dat dan,” mompel ik tegen mijn koffie.
De deur klapt dicht, stoom slaat tegen mijn wangen. Voor me schuift de rij Banja-deelnemers door. Nina en ik sluiten achteraan. Een vrouw komt naast me staan. “Op je buik graag.” De bank blijkt een pijnbank. Mijn wreven schuiven langs het hout. Mijn borsten protesteren hardnekkig. Ik draai op mijn zij. Dan op de andere. Ontspannen lukt niet.
De vlaggetjes klapperen al dagen tussen de lantaarnpalen. Rood-wit-blauw wappert op het stadhuis. Rondom de delicatessenwinkels hangt de geur van Friese lekkernijen als sûkerbôle en Fryske dúmkes. Dokkum poetst zich op voor hoog bezoek: de koning komt langs. Bij het horen van de stadsnaam opent er een luikje naar het verleden.
Ik schuif mijn linker mouw langzaam omhoog. Boven me zoemt het TL-licht, onverstoorbaar. De plastic zitting van de stoel kraakt zacht wanneer ik mijn gewicht verplaats. De geur van desinfectiemiddel hangt in de lucht, scherp en licht zoet tegelijk. Mijn hand balt zich tot een vuist. De naald komt dichterbij. Even hangt de spanning stil in de lucht.
Plots ben ik weer vier.
Met een winkelwagen vol koffiecapsules waar een klein buurtcafé moeiteloos een week op zou draaien, manoeuvreerde ik mijn kar richting de zelfscan. Zo ver is het dus gekomen.
Ze komt aanhollen met een mand vol paaseieren, haar roze schortje stuiterend tegen haar buik. Grote oren priemen door het rieten hoedje op haar kop. Achter haar aan hobbelen mini’s: ‘jongetjes’ in tuinbroeken, ‘meisjes’ in witgebloemde jurkjes. Ik druk op het hartje. Dom. Het algoritme grijpt zijn kans. Het ene filmpje na het andere dendert voorbij. Overal konijntjes die paaseieren beschilderen, hun holletjes optuigen met slingers en bloemen. Precies het soort onzin waar ik voor smelt.
De kassabon zit nog tussen de eerste pagina’s als ik het blad opensla. Bij Bruna griste ik het glossy van de stapel. Ik had net Alles wat er is van Inge Duin uit. Zo’n verhaal dat blijft hangen.
Dus: nu iets luchtigs. Geen familiegeschiedenis die generaties doorsuddert, geen geheimen die pas op pagina 243 opduiken.
De wc-bril is net zo koud als de tegels onder mijn blote voeten. Blaasontsteking.
Nog nooit gehad? Houden zo. Het brandt, het steekt en je loopt voortdurend naar het toilet alsof iemand de afstandsbediening van je blaas heeft gestolen en op repeat heeft gezet.
Precies één dag vóór onze geplande dagtrip naar het zuiden.
De botervloot glipt uit mijn handen. Natuurlijk landt hij ondersteboven. Een dikke klodder boter plakt aan het aanrechtblad.
Daar begint het al.
Sommige dagen kun je beter overslaan. Zo’n dag waarop je meteen terug onder het dekbed wilt kruipen. Gordijnen dicht. Wereld uit.
Het moet anders. Geen televisie meer in bed. Geen talkshows waarin drie mensen tegelijk hun gelijk uitventen en elkaar overschreeuwen. Ik trek het dekbed strak, klop mijn kussen op en wacht op Klaas Vaak alsof hij een pakketbezorger is die elk moment kan aanbellen.
Hij blijft weg.
Welkom in de wereld van fotografie. Of preciezer: jezelf in onmogelijke houdingen vouwen voor een bloem die geen seconde meewerkt.
Voorjaarsvakantie. Alleen het woord al heeft iets lichts. Alsof het leven even op pauze mag en je toestemming krijgt om te lummelen. Niets hoeven, nergens naartoe, geen schema. Gewoon wat aanklooien, uit het raam staren, een kop thee die koud wordt omdat je hem vergeet.
Het smeedijzer bladderde in dunne roestkleurige velletjes. Middenin een rond stukje glas: het spionnetje waarmee oma de straat bespiedde.
Gearmd met Nina loop ik over het vakantiepark. Sinds kort bezit ze hier een huisje, vlak bij het strand. Dat noemt ze elke keer, alsof het strand anders zou weglopen. De paraplu boven ons hoofd is vooral decor. Regen snijdt van opzij onderdoor en zoekt doelgericht mijn mouw. Ik draag stevige laarzen. Nina niet.
Altijd elegant balanceert ze op stiletto’s die bij elke stap een fractie wegschieten. Haar loopje neigt naar klunen.
Lezen kan ik alleen in stilte. Echte stilte.
Ik sla mijn nieuwste boek open — Alles voor de reis van Adriaan van Dis — en meteen begint het gedonder.
Zoals altijd verscheen hij op een moment dat hij niet welkom was. Mijn roze olifant, in een van zijn varianten. Dat beest is net zo irritant als een oorwurm. Hij komt binnen en blijft minstens een dag. Soms pakt hij zijn koffer uit om weken te blijven. Zonder iets te zeggen. Zonder zich te verontschuldigen.
Plotseling knapt de ballon. Een roze vliesje kleeft aan de wangen en neus van het kind dat naast me op het schoolplein staat. Ze wacht geduldig op haar moeder. Haar hand schiet omhoog, veegt te hard en maakt het erger. De kauwgom rekt, veert terug en blijft hangen. Het beeld ontlokt me een glimlach. Even lijkt het alsof tijdreizen bestaat. In een mum van tijd sta ik weer op het plein voor mijn basisschool.
Ik zit niet op mijn centen, maar ben wel zuinig. Daarom volg ik altijd het advies: kijk in de supermarkt ook naar de producten in de onderste schappen. Net zo goed als A-merken, maar stukken goedkoper.
Prima advies met één nadeel: mijn knieën werken niet mee.
En ineens is het stil. Doodstil.
Onder de inktzwarte hemel glijdt een zwanenpaar voorzichtig het water in, gevolgd door eenden die aarzelend meebewegen, alsof ook zij zich afvragen of het gedonder nu over is. Het nieuwe jaar is begonnen. Mensen liggen nog te knorren. Vol frisse plannen, goede bedoelingen. Dat mag. Het jaar weet zelf nog niet wat het wil worden.

