"Hou toch op!"
Ver na middernacht prikken de oranje cijfers van de wekker in mijn ogen. Ik rol van rechts naar links. Van links naar rechts. Precies onder mijn slaapkamerraam besluit een kikker dat de liefde niet kan wachten.
Ik rol weer terug. De kikker houdt vol.

Als ik eindelijk wegzak, hoor ik voetstappen.
Ze komen mijn slaapkamer binnen.
Mijn hart schiet omhoog. Heb ik de deur niet afgesloten? Ik blijf stokstijf liggen. De stappen komen dichterbij. Ik gooi het dekbed van me af en spring overeind.
Niemand.
Alleen mijn spiegelbeeld.
Mijn haar staat rechtop en op mijn neus zit een blauwe plek die er gister niet zat. Buiten kwaakt de kikker alsof hij getuige was van de voorstelling.

Ik voel het al voordat ik opsta: dit wordt een slechte dag. In de keuken knapt een ei in mijn handen. De dooier zoekt zijn eigen weg over de keukenvloer. Mijn mascara raakt niet alleen mijn wimpers, maar ook mijn wang.
Op weg naar het ziekenhuis stap ik zonder nadenken de verkeerde metro in. Dat merk ik pas als de deuren dichtschuiven en het station achter me verdwijnt. Een halte later stap ik uit. De tram blijkt verdwenen door werkzaamheden. Ik steek het plein over, sjokkend tussen mensen die precies weten waar ze moeten zijn. Tegen de tijd dat ik de poli bereik, voelt mijn blouse alsof ze zo uit de wasmachine komt.

“Goedemorgen,” zegt de baliemedewerkster. Ze tikt op haar scherm. Nog een keer.
“Ik zie geen afspraak staan, mevrouw Dijkgraaff.”
Het verbaast me niet. Haar blik blijft even hangen op mijn gezicht, dan op mijn neus. Net iets te lang. Ik glimlach.
Na enig speurwerk blijkt mijn afspraak tussen twee systemen verdwenen.
Dan lijkt de dag te kantelen.
Achter me hoor ik: “Mevrouw Dijkgraaff?”
Ik kijk om.
Daar staat hij. Mijn ‘nieuwe’ nefroloog.

De terugreis verloopt verrassend vlekkeloos. De juiste metro. Mijn fiets staat nog keurig bij de halte.
Thuis pak ik een fles water uit de koelkast. In de vijver glijdt een zwaan geruisloos voorbij.
Onder mijn slaapkamerraam bolt de kikker zijn kwaakblazen op.

© Sophie Dijkgraaff