“I have a dream!”
De woorden stuiteren door de metrowagon. Hoofden komen los van schermen. Een jongen in een trainingspak leunt achterover en schreeuwt tegen zijn telefoon.
“Martin Luther King, bro. Ken je die?”
Aan de andere kant van de lijn volgt waarschijnlijk stilte.
De jongen praat door. Over respect. Over elkaar accepteren. Over niet meteen oordelen op uiterlijk. Zijn stem prikt, als een wijzende vinger. 

In het raam zie ik mijn spiegelbeeld. Mijn neus trekt de aandacht. Die kleurt sinds vanochtend in minstens vijftig tinten blauw, kleuren die beter thuishoren in een verfwaaier dan op mijn gezicht.
Bijwerkingen van medicijnen. De dokter had nog gewaarschuwd.
“Voorzichtig zijn. Niet stoten.”
Overdag lukt dat uitstekend. ’s Nachts minder. Tussen tandenpoetsen en de wekker vecht ik met mezelf. Ik win. 

Twee tienermeisjes schuin tegenover me fluisteren achter hun handen. Terwijl de metro afremt, vang ik één woord op.
“Neus.”

Een uur later loop ik richting uitgang van het ziekenhuis. De controle verliep verrassend vlot. De dokter verscheen op tijd. Voor me marcheert een echtpaar. De vrouw lijkt weggelopen uit een folder voor linnen zomerjurken. Haar man beukt door de gang.

Plots blijft ze staan.
“Vreselijk. Zie je dat?”
De man reageert niet.

Een paar meter verderop waggelt een gezette man richting de liften. De vrouw maakt een gebaar dat subtiel bedoeld is, maar allesbehalve zo uitpakt. Niet alleen ik kijk om; ook voorbijgangers draaien hun hoofd. 

“Wat een mens zichzelf aandoet.”
Ze kijkt me verwachtingsvol aan. Kennelijk fungeer ik als jurylid.
Ik werp een blik op de man. Daarna op haar.
“Misschien werkt zijn schildklier niet goed.”
Alsof ik een vlieg in haar cappuccino heb laten landen, vertrekt haar gezicht.
“Hans,” zegt ze. “Zag jij dat?” Ze buigt zich naar hem toe en fluistert iets in zijn oor.

Hans draait zich om. Zijn blik schiet meteen naar mijn gezicht. 
“Blauw?” buldert hij.
Twee paar ogen blijven hangen bij mijn neus.
“Jawel,” zeg ik. “Hij is blauw.”
Een kort lachje ontsnapt hem.
Daarna zet hij weer koers richting uitgang. Zijn vrouw dribbelt achter hem aan.

Voor de tweede keer die dag stap ik in de metro. De wagon ruikt naar zweet en lauwe koffie. Verderop klapt een meisje een spiegel open en werkt haar mascara bij. De vrouw in het ziekenhuis schiet even door mijn hoofd. Intussen had ik haar al ingedeeld bij de categorie bemoeial-met-mening. Die jongen in de metro van vanmorgen had gelijk.
In het raam zie ik mijn neus.  Aandacht krijgen is voorlopig geen probleem.

© Sophie Dijkgraaff