“Kun je je baas niet even roepen?”
De motorkap geeft een zachte tik bij het openspringen. De man — beige bodywarmer, zonnebril op het hoofd ondanks de regen — kijkt niet naar mij maar de garage in. Op zoek naar een man met gezag. Of een snor.

Ik laat de trekker los en veeg mijn handen af aan een poetsdoek. Hij kijkt nog steeds niet. Even lijkt het alsof er iets achteraan komt. Maar dat gebeurt niet.
“Euh, die is even weg.”
“Dan kom ik later wel terug, meisje.”
Meisje. Zo’n woord waarbij je spontaan zin krijgt om iemands ruitenwissers omhoog te zetten. 

Veertig jaar geleden werkte ik bij een autobedrijf. Eerst op de administratie. Daarna in het magazijn, tussen stoffige dozen remblokken en de geur van rubber die thuis nog uit je jas trok. Klanten vroegen mijn werkgever regelmatig of ik wel het juiste onderdeel had gepakt. Alsof ik elk moment een carburateur met een kaasschaaf kon verwisselen.

De rollen lagen overzichtelijk vast: mannen repareerden en verkochten auto’s, vrouwen schonken koffie en vonden ondertussen zoekgeraakte facturen terug. Zo ging dat.
Je zou denken dat dat verdwenen is. Fout.

Laatst stond ik in een elektronicazaak voor een nieuwe televisie. Ik vroeg welk scherm het beste beeld gaf bij veel daglicht. De verkoper — strak overhemd, adem van cappuccino en pepermunt — draaide zich midden in zijn uitleg ineens naar mijn vriend.

“Voor sport kijkt u beter naar deze.” Hij schoof de afstandsbediening al zijn kant op.
Ik stond ernaast, pinpas al in mijn hand. Mijn vriend wees naar mij.
“Zij beslist dit.”

Heel even raakte de verkoper in de war. Een korte storing in het systeem. Daarna begon hij opnieuw, langzamer. Alsof ik een taalpakket moest installeren om mee te kunnen doen.

De aannemer die technische vragen alleen aan de echtgenoot stelt, terwijl zij de verbouwing heeft uitgetekend. De autoverkoper die vraagt of “deze kleur wel mag van thuis”. De ober die de rekening standaard bij de man neerlegt. 

Vrouwen lachen wat. Rollen met hun ogen. Vertellen het later op een verjaardag terwijl ze de kaasblokjes doorgeven. 

Bijna niemand slaat nog met zijn vuist op tafel of roept dat vrouwen achter het aanrecht horen. Het zit in een blik die langs je heen glijdt. In een uitlegtoon die verandert zodra er een vrouw in beeld komt. Dat korte:“Goh, wat knap.”
Alsof je het per ongeluk weet. 

Dezelfde mannen ruimen zonder morren de vaatwasser uit. Kennen drie soorten quinoa. Hebben ooit één aflevering van B&B Vol Liefde meegekeken zonder commentaar.

Mannen geloven best in gelijkwaardigheid. Soms.

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.