De botervloot glipt uit mijn handen. Natuurlijk landt hij ondersteboven. Een dikke klodder boter plakt aan het aanrechtblad.
Daar begint het al.
Sommige dagen kun je beter overslaan. Zo’n dag waarop je meteen terug onder het dekbed wilt kruipen. Gordijnen dicht. Wereld uit.
Ik schraap de boter terug in de vloot, wat net zo goed lukt als tandpasta terugduwen in de tube. Het chagrijn borrelt al op. Het is nog geen half negen.
Wanneer ik naar mijn werk wil vertrekken, levert mijn auto de volgende bijdrage. De motor start braaf, maar het stuur zit muurvast. Geen millimeter beweging. Ik draai, ruk, jutter — niets.
Dan maar op de fiets.
Op een bijna-botsing met een scholier na gaat dat prima. Sterker nog: mijn werkdag verloopt verrassend soepel. Halleluja.
Tot ik na werktijd de supermarkt in loop.
De rij reikt tot Tokio. Voor me legt een man alles één voor één op de band. Pak melk. Pauze. Paprika. Pauze. Achter hem graaft een vrouw naar haar portemonnee, haar hele hebben en houwen ligt tussen de boodschappen in haar karretje. Daarna wordt alles weer terug in de tas gepropt, netjes in vakjes. Voor haar een momentje van zen. Ik kook.
Naast mij schuift de andere rij vrolijk door.
Karretje. Piep. Betalen. Volgende.
Heel even overweeg ik over te stappen.
Maar dat doe je natuurlijk niet. Want precies dán begint jouw rij te sprinten.
Eindelijk thuis pak ik de boodschappen uit.
Ik schuif een diepvriesmaaltijd in de magnetron. Nog vóór de ping gaat hij de prullenbak in. Wat die fabrikant erin heeft gestopt weet ik niet, maar het ruikt als een vergeten kaasplank die in de zon heeft liggen zweten.
Dan maar een boterham.
Net als ik de laatste hap doorslik, duikt het volgende obstakel op. Ik moet naar mijn vriendin Nina om haar planten water te geven. Probleem één is zo opgelost: mijn auto is nog in staking, dus neem ik die van mijn vriend.
Probleem twee is vervelender: waar zijn Nina’s sleutels?
In mijn tas? Nee.
Aan het sleutelrekje? Nee.
In de boodschappentas? Nee.
Koelkast? Nee.
Vriezer? Ook niet.
Dat stelt me gerust: ik ben niet volledig kierewiet.
De planten blijven droog, mijn hoofd wakker.
Pas tegen het ochtendgloren schiet het me te binnen.
"Goedemorgen, heeft u gistermiddag een sleutelbos gevonden?"
De kassière kijkt me wazig aan.
"Een sleutelbos?"
"Ja, drie sleutels aan een ringetje met een muntje voor de winkelwagentje."
Ze draait haar hoofd.
"Jillie! Heb jij een sleutelbos gevonden?"
Van twee kassa’s verderop klinkt:
"Een wát?"
"Een SLEUTELBOS!"
Jillie opent een lade naast haar kassa en rommelt erin.
"Nee hoor. Geen sleutelbos."
"Drie sleutels aan een ring met een muntje voor een winkelkarretje," papegaait de kassière.
Jillie kijkt nog eens.
“Noppes. Ik heb alleen dit.”
Ze steekt haar hand omhoog. Ach jee, Jillie heeft haar dag niet. Ik wel.
Stomverbaasd kijk ik toe als ze – hoera! – Nina’s sleutelbos toont.
©Sophie Dijkgraaff

