“Zeg schat, wil jij dat flesje op het aanrecht even meenemen?”
“Dat groene flesje?” vraagt mijn lief.
“Ja, dat je vanmiddag bij je had. Dat was toch nog niet leeg?”

Even later staat het flesje op mijn nachtkastje, binnen handbereik voor vannacht. We kruipen tegen elkaar aan. Nog geen minuut later klinkt het vertrouwde zaaggeluid naast me.
Ik draai. Nog een keer. En nog een keer. Samen in bed liggen is natuurlijk fijn. Samen slapen is een ander verhaal. 

Eindelijk dommel ik weg. Dan krijg ik uit het niets een beuk tegen mijn neus.
“Au!”
“Mmm, is er wat?” mompelt mijn lief. Hij draait zich om en slaapt rustig verder.
Ik trek het dekbed over me heen en schuif zo ver mogelijk naar de andere kant van het bed.
Mijn poging heeft precies nul effect. Binnen een paar seconden lig ik weer klem tussen twee sterke armen. Schattig natuurlijk, maar als ik nog wil slapen, is actie vereist.

Eerst een zachte por.
Dan iets harder.
“Schat, schuif eens een stukje op.
Scháát.
Hallo? Ik wil wat drinken.” 

Eindelijk rolt mijn lief om en begint opnieuw te zagen. Morgen toch eens serieus naar een snurkbeugel kijken, neem ik me voor.
Ik ga op de rand van het bed zitten, draai de dop van het flesje en schenk het water in een glas. Er hangt een vreemd luchtje aan.

Voorzichtig neem ik een slok.
“Gatverdamme!”
“Wat is er?”
Naast me verschijnt een geschrokken gezicht onder een bos verwarde krullen.

“Dit is azijn!”
De schrik maakt plaats voor een bulderende lach.
Ik pak het flesje en kijk naar het etiket. Daarop heb ik met grote letters AZIJN geschreven.
“Oh,” zegt mijn lief. “Dat heb ik niet gezien.”

Het flesje water vind ik even later in de keukenkast, keurig op de plek waar de azijn hoort te staan. Vermoeid kruip ik op de bank.

Morgen slaapt-ie weer thuis.

© Sophie Dijkgraaff