In mijn hoofd buitelen de vragen over elkaar, ik spreek ze niet uit. Mijn ogen glijden over een rek vol folders: Laat nierpatiënten overleven, Je nieren zijn je leven. De stem van mijn zus trekt me terug naar de werkelijkheid. Eén woord tolt als een mantra door de spreekkamer: niertransplantatie.

Voor ik het doorheb is mijn driejarige ik er weer. Het meisje dat ooit kinderkanker had en aanleerde niet lastig te zijn. Ik luister braaf naar de woorden van de nefroloog. Ze zegt dat het goed komt. Ik hoor het, maar het landt niet echt.

Bij de balie ontvang ik van een vrolijke assistent een map met folders en een afsprakenkaart. Als ik niet beter wist, zou ik denken dat ze kaartjes voor een Bruce Springsteen-concert uitdeelt.

Alles vindt thuis een plek uit het zicht: als ik het niet zie, is het er niet. ’s Avonds geef ik me over aan een flinke portie zelfmedelijden. Een chocoladereep, wat stukken kaas en worst werk ik naar binnen. Het helpt niet. Het vult alleen de tijd.

Nachten slaap ik slecht. Overdag bewegen mijn gedachten steeds vooruit, naar onderzoeken die nog moeten komen.

Na een paar dagen durf ik het. Ik schrijf voor het eerst het woord niertransplantatie op papier. Meteen verandert het van iets wat om me heen zweeft in iets wat vastligt. Alsof ik met één pennenstreek een abonnement heb afgesloten waar geen herroepingsrecht op zit.

Op een zondagmiddag is het zover. Ik blader door de eerder weggestopte folders en zie een stoet fitte, stralende mensen met een nieuwe nier. Ze fietsen, tennissen, wandelen – allemaal met een blosje dat precies zo rood is als hun sportshirt. Ze lachen het soort lach dat alleen in folders voorkomt: breed, fris, alsof het leven nergens pijn doet. Ik vraag me af of dat mijn toekomst is, of dat ik hooguit tot de categorie 'wandelt naar de brievenbus' zal horen.

In een poging mijn optimisme een boost te geven, scrol ik op het internet. Ik stuit op een onderzoek van een Amerikaanse psycholoog, Paul Pearsall. Hij beweert dat mensen na een harttransplantatie soms plotseling andere voorkeuren krijgen – ander eten, andere muziek, zelfs een andere carrière. Zijn verklaring: cellulair geheugen. Niet alleen het brein, maar al je cellen zouden zich specifieke karaktereigenschappen herinneren.

Ik kijk naar mijn eigen lijf en denk: dat is hoopgevend. Als ik straks een nieuwe nier krijg, wie weet komt die met wat leuke extra’s: een aanleg voor wiskunde bijvoorbeeld, of een plotselinge drang om de Alpe d'HuZes te fietsen. Word ik iemand die om zes uur ’s ochtends zin heeft om te joggen?
Wat als ik een nier tref die dol is op drop en middagdutjes? Eerlijk: dat zou ik helemaal niet erg vinden.

Langzaam groeit er iets van berusting. Geen heldhaftige moed, maar aarzelend vertrouwen. Mijn lichaam en ik praten voorzichtig weer met elkaar, als oude buren die elkaar na jaren van ruzie begroeten.

Waarschijnlijk is dat al genoeg: gewoon meegaan met de flow. Opdagen bij de afspraken. De dagen laten zijn wat ze zijn. Met de stille hoop dat het goed komt – zoals de nefroloog zei. En zoals het meisje in mij graag wil geloven.

©Sophie Dijkgraaff