Ze komt aanhollen met een mand vol paaseieren, haar roze schortje stuiterend tegen haar buik. Grote oren priemen door het rieten hoedje op haar kop. Achter haar aan hobbelen mini’s: ‘jongetjes’ in tuinbroeken, ‘meisjes’ in witgebloemde jurkjes. Ik druk op het hartje. Dom. Het algoritme grijpt zijn kans. Het ene filmpje na het andere dendert voorbij. Overal konijntjes die paaseieren beschilderen, hun holletjes optuigen met slingers en bloemen. Precies het soort onzin waar ik voor smelt.
Terwijl ik verder scroll — willoos, in dienst van het algoritme — schieten mijn gedachten jaren terug. Naast konijnen hadden wij thuis ook een cavia. Een wit-met-bruin gevlekt exemplaar, dat we Pippeloentje noemden, naar het beertje uit een verhaal van Annie M.G. Schmidt. Zo’n naam die je als kind vol overtuiging logisch vindt en als volwassene toch steeds even moet verdedigen. Elke dag verschoonden we Pippeloentjes hok, vulden zijn waterflesje en kieperden vers voer in zijn bakje. Daarna volgde een knuffelsessie die hem meestal net iets te lang duurde. Dan begon hij zacht en verongelijkt te piepen, alsof hij wilde zeggen: het was gezellig, maar nu is het genoeg geweest. Zo ging dat, tot de zomervakantie eraan kwam en de grote vraag zich aandiende: wat doen we met Pippeloentje?
Mee kon Pippeloentje niet. De kooi was te groot en niemand zag hem ontspannen op de achterbank zitten. Een schoolvriendinnetje wilde wel op hem passen. Vooral mijn moeder leek dat een uitstekend plan. Zo verhuisde Pippeloentje vlak voor vertrek naar zijn tijdelijke vakantieadres, vergezeld van een lijst verboden etenswaren. Geen prei. Geen rabarber. Geen champignons. Geen ui. Ook geen noten of zuivel. Vrij overzichtelijk, vonden wij. Met een gerust hart vertrokken we.
Weken later reden we terug naar Rotterdam: loom van zon en chips, murw van achterbankruzies. Aangekomen thuis hielpen mijn zus en ik ineens opvallend enthousiast met uitladen. Niet uit plichtsbesef, maar omdat we daarna Pippeloentje mochten ophalen.
Nog diezelfde middag stonden we bij het schoolvriendinnetje op de stoep. Ze deed open met een gezicht waar je als kind meteen misselijk van wordt. Binnen stond in de woonkamer de kooi. Schoon. Opgeruimd. Leeg. Ik keek rond. En toen viel de zin die zich voorgoed in mijn geheugen heeft vastgezet: “Cavia’s kunnen ook niet tegen 7UP.”
Dat detail stond níét op onze instructielijst.
Op mijn telefoonscherm verschijnt intussen een nieuw filmpje. Hoe is dit nu weer in mijn algoritme beland? Een horde cavia’s rent een trap op richting de hemelpoort. Stairway to Heaven, maar dan met snorharen. Boven wacht een tuin vol bloemen. Zacht licht, waterlelies, cavia’s dobberend in een vijver alsof ze een wellnessweekend hebben geboekt. Zoet. Heel zoet. Heel wijs besluit ik níét op het hartje te drukken. Voor ik het weet zit ik weer te lang tussen cavia’s die rondhuppelen op bloemenvelden en paaskonijnen in jurkjes.
En eerlijk: één Pippeloentje per leven is genoeg.
Vrolijk Pasen!
© Sophie Dijkgraaff

