In de behandelkamer is het net zo koud als het water dat gorgelend mijn keel inloopt. Terwijl ik probeer niet te verdrinken, kijk ik smekend naar de parodontoloog: help!

Ze glimlacht professioneel, trekt het slangetje uit mijn mond en laat een fijne regen van zoutdruppels op mijn gezicht neerdalen. Kijk, dat noem ik service – een schoon gebit én een gratis gezichtsscrub. Nog een paar behandelingen en ik ben rimpelloos.

Terwijl mijn gezicht wordt schoongepoetst, hoor ik – ergens vanuit de diepten in mijn tas – het bekende pingetje. Iemand probeert mijn aandacht te trekken via WhatsApp.

Ik heb een ingewikkelde relatie met die app. Handig is ’ie wel: je tikt wat in steno-taal, plakt er een lachend geel hoofdje bij en klaar. Soms krijg je antwoord, soms blijft het stil. Dan staar ik naar dat blauwe vinkje – gelezen – en vraag me ietwat vertwijfeld af: komt er nog iets terug?

Mijn vriendin Nina moest laatst lachen. “Sophie”, zei ze, “dat is de moderne manier van communiceren. Mijn familie of vrienden reageren soms pas dagen later.”
Dat zal best. Maar die moderne manier voelt verdacht veel als praten tegen een Tupperware-bakje.

Wat ik vooral lastig vind, is dat sommige verhalen niet passen in een appje. Voorbeeld? Mijn bovenburen verbouwen al maanden. De voordeur van de portiek staat dag en nacht open – er ontbreekt alleen nog een welkomstcomité met koffie en cake. Klagen heeft geen zin; de bouwvakkers spreken een taal die ik niet beheers. Nu komt het verhaal dat ik nooit in een appje kwijt zou kunnen.

Vorige week klonk ’s avonds ineens de deurbel. Ik keek op het scherm van mijn intercom: niemand te zien. Terug in de woonkamer – boem, boem, boem – een vuist op mijn voordeur. Ik voelde mijn hart in mijn keel kloppen terwijl ik opnieuw door de gang liep, spiekte door het deurspionnetje en vroeg: “Wie is daar?”
Een forse man boog naar voren: een pizzabezorger.
“O, nou … ik heb niets besteld,” zei ik. Zijn reactie bevatte woorden die ik niet kende, maar waarvan ik wel aanvoelde dat ze niet uit een kerstliedje kwamen.

Zoiets schrijf je niet even in een appje. Zelfs met twintig emoticons komt de angst niet echt over. Verhalen moeten kunnen ademen, met ruimte voor een trilling in de stem, of een stilte die even blijft hangen, waarna een troostend woord volgt.

En toch blijf ik appen. Uit gemak. En omdat ik inmiddels zo gewend ben aan niet-bellen, voel ik mijn hart overslaan zodra de telefoon écht overgaat. Wat is er aan de hand? Wie durft er nog te bellen?

In de behandelkamer zoeken mijn benen warmte bij elkaar. De parodontoloog heeft haar werk gedaan. Mijn gezicht plakt, mijn kaken slapen nog.
“Tot over drie maanden, mevrouw Dijkgraaff,” zegt ze opgewekt.

Thuis gaat meteen de douche aan. Warm water, geen meldingen, geen emoticons – alleen ik en het onophoudelijke gebeuk van een trilboor verderop. De buren zijn nog steeds niet klaar …

© Sophie Dijkgraaff

 

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.