De eerste bolletjes steken voorzichtig boven de aarde uit. Door de zachte temperaturen lijken ze alle jaargetijden te zijn vergeten. Een bleek zonnetje gluurt door de wolken, valt op de toppen van de bomen. De geur van natte aarde en herfstbladeren kriebelt in mijn neus.
“Pluk de dag!”, “Leef in het moment!”
Tegeltjeswijsheden. Voor anderen misschien; ik kijk liever vooruit.
Niet ver hoor, ik blijf in de buurt.
Op regenachtige herfstdagen, zoals die van afgelopen week, geniet ik ervan om alvast vooruit te dromen. Naar een witte winter bijvoorbeeld, gezellig onder de kerstboom met een kop thee, terwijl alles buiten stil en koud is. Zodra de kerstballen zijn opgeborgen, sluipt het voorjaar alweer dichterbij. Tijdens lentedagen waarop er geen rokje uit mijn kast komt, fleur ik op als meteorologen een mooie zomer voorspellen – dagen waarop iedereen weer vrolijk op straat rondstapt.
Vooruitleven is typisch iets voor tuiniers. Die categorie mensen is altijd bezig met wat nog komen gaat. Ze zaaien, snoeien, delen en stekken. In de herfst denken ze al aan het voorjaar, in het voorjaar aan de zomer, en in de zomer lopen ze alweer een stapje vooruit. Afgelopen week bladerde ik door tuinbladen, zoekend naar nieuwe ideeën en voorspellingen voor 2026 – woorden die ruiken naar hoop.
Want ik houd van hoop in potgrondvorm.
Toch is niet alles aan tuinieren hallelujah. Na het zaaien en stekken moet ik een talent aanspreken dat ik niet heb: geduld.
Soms duurt het eindeloos voordat een zaadje boven de grond piept, of een stek zijn eerste uitlopertje laat zien.
Ik hoor mijn vader nog zeggen: “Alles komt goed meisje, neem de tijd.”
Toen vond ik dat een irritante dooddoener; nu noem ik het gewoon waar.
Tuinieren doe ik overigens niet op een landgoed, maar op mijn balkon – dat langzaam verandert in een botanisch flatgebouw van potten, planten en plannen. Zo ben ik een echte balkontuinierder.
Op mijn vijftien vierkante meter groeit van alles: klimplanten, bodembedekkers, kruiden en af en toe een slaplantje dat zich geduldig een weg naar het zonlicht baant – alsof het mij iets wil leren. Het duurt eindeloos voordat zo’n groen, sappig blaadje boven de aarde verschijnt.
Mijn trots is een witte klimroos en een violetblauwe hibiscus, gekregen van een vriendin die dezelfde tuinkriebels heeft. Van nietszeggende stekjes zijn ze uitgegroeid tot volwassen planten. Een klein wonder, want tegelijk mislukt er ook van alles. Soms verdrinkt de lavendel, of krijgt de rozemarijn een identiteitscrisis. Te veel zon, te veel regen, te weinig aandacht – of slakken.
Slakken zijn de stille saboteurs van de natuur; één nacht, en de prille zaailingen verdwijnen.
Maar als het wél lukt, als alles tegelijk in bloei staat, dan denk ik: zie je wel, toekomst, je was het wachten waard.
Laat anderen maar plukken; ik zaai liever wat hoop.
© Sophie Dijkgraaff

