“Gaat het?”
“Nee.”
Daar bleef het bij. Het bagagerek kraakte onder de koffers die hij erop probeerde te stapelen. Achter hem stonden de dubbele balkondeuren open. De rivier de Arc klaterde vrolijk voorbij. Ons hotel deed een stuk minder zijn best. De laatste renovatie had plaatsgevonden toen cassettebandjes nog modern waren.

In Val Cenis was het vijfendertig graden. Op onze kamer hingen zware gordijnen die de hitte binnenhielden, lag vloerbedekking met een verleden en was nergens een airco te bekennen. Ik stapte met een glas witte wijn het balkon op. In het raam zag ik mijn bezwete voorhoofd weerspiegeld.

“Zullen we het dorp in lopen?” vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. Dat was al winst.
Zijn chagrijn kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Onderweg was de navigatie uitgevallen en mijn kaartleeskwaliteiten bezorgden ons vooral een uitgebreide rondleiding door de bergen. 

De hoofdstraat bleek gezelliger dan onze kamer. We ploften neer op een terras voor een bier van een lokale brouwerij en schoven even later aan bij La Bamniche. Tartiflette bij tropische temperaturen is culinair onverantwoord, maar gesmolten Reblochon met aardappelen en spek wint het moeiteloos van gezond verstand. Daarna volgde een luchtige Gâteau de Savoie. De cake smolt op onze tong. De koffie maakte het geheel compleet. 

De avond leek eindelijk op gang te komen, totdat een Belgisch echtpaar naast ons aanschoof. Terwijl ik de zoutmolen doorgaf, glimlachte de vrouw naar me.
“Wat een leuk accent heb jij,” zei ze.
“Dank je. Dat hoor ik thuis eigenlijk nooit,” antwoordde ik.
Binnen de kortste keren hadden we het over routes, restaurants en verborgen plekjes.
Mijn vriend keek zwijgend naar zijn espresso.

Op de terugweg verbrak hij eindelijk de stilte.
“Hebben we een weekend samen, zit jij met wildvreemden te buurten.”
Terug op de kamer trok hij zijn conclusie. Hij stapte in bed, draaide zich demonstratief om en mompelde: “Welterusten.”
Nog voordat ik antwoord kon geven, begon zijn vaste nachtprogramma: snurken op industriële sterkte.

Ik schonk mezelf nog een glas wijn in en ging op het balkon zitten. Het ruisen van de Arc was veranderd in een onheilspellend gekletter in de stilte van de nacht. Na de laatste slok kroop ik onder het laken, naast mijn persoonlijke snurkmachine.

Net toen ik eindelijk sliep, loeide het brandalarm. Een rode zwaailamp veranderde onze hotelkamer in een goedkope discotheek.
“Schat! Wakker worden!”
Geen reactie.
Ik schudde harder.
“Hou op… Is er brand of zo?”
“Ja!”

Ik griste onze paspoorten en portemonnee van het bagagerek. Hij zocht eerst zijn bril. Pas daarna drong de ernst van de situatie door. Snel holden we de kamer uit.

Wat we aantroffen, was pure chaos. Een bonte stoet mensen stroomde de straat op, vaak haastiger dan gekleed. Een man holde voorbij in een pyjamabroek vol giraffen. Een vrouw droeg een nachthemd met pailletten alsof ze onderweg was naar een fout themafeest. Iemand stond buiten op sokken en in zijn onderbroek. Een ander had alleen een dekbed meegenomen.

Naast de hoteleigenaar verscheen uiteindelijk de veroorzaker van alle paniek.
“Hij stond onder de rookmelder te roken,” zei de eigenaar terwijl hij naar een beschaamd kijkende hotelgast wees. Mijn vriend schoot in de lach. Naast ons geeuwde een man in badjas alsof dit de normaalste hotelnacht ter wereld was.
Even later trok de complete pyjamaparade weer door dezelfde hotellobby, terug naar de benauwde kamers zonder airco.

© Sophie Dijkgraaff