Buiten ruikt het naar regen op oververhitte straten. De zomer danst al dagen met de herfst. Zo loopt het zweet uit mijn oksels, dan ineens moet ik een jas aan, want regenachtig en fris. Zodra ik het ziekenhuis binnenloop, verandert de geur onmiddellijk in dat typische ziekenhuisluchtje: een mengsel van ontsmettingsmiddelen, medicijnen en de geur van mensen. Niet te verkrijgen bij ICI PARIS.
Op de gang passeer ik personeel, te herkennen aan hun witte jassen, met op de borst het logo van het ziekenhuis, zodat je zeker weet waar je bent. Dat beeld is sinds de jaren 60, mijn eerste ziekenhuisbezoek, niet veranderd. De baliemedewerksters hebben intussen wel meer vrijheid gekregen: zij mogen tegenwoordig in hun 'gewone' kleding werken. Ik zeg bewust ‘medewerksters’, want mannen ben ik in deze functie in al die tijd nog niet tegengekomen.
Met de intrede van 'gewone' kleding is er stilletjes een wedstrijd ontstaan: wie is de mooiste? Een wedstrijd die door de dames uiterst serieus wordt genomen zie ik, terwijl ik wacht bij de balie van de nefroloog. Na wat een kwartiertje leek, komen er eindelijk twee baliemedewerksters aanlopen. De groep wachtenden is intussen gestaag gegroeid, als een levende polonaise zonder muziek – schuifelend, stil, en met een collectief gevoel van: schiet nou eens op!
Een van de baliemedewerksters zucht theatraal: “Wat een rij. Ik had nog even willen plassen.” Ze werpt ons een venijnige blik toe. O, o, wat zijn jullie weer mooi op tijd, lijkt ze te denken. Ja, wij wel. Zouden artsen en baliediva’s daar eens een voorbeeld aan kunnen nemen?
Intussen loopt de dame met hoge nood koket rond de balie, alsof ze de catwalk van een chic modehuis betreedt. Ze vindt de mannen geen blik waard; de vrouwen in de wachtrij daarentegen onderwerpt ze aan haar taxerende blik – een blik die, naar mijn idee, alleen vrouwen op elkaar afvuren. Haar ogen glijden over ons heen, lijken ons op te meten, af te keuren, zonder dat ze haar mond opent. Een minzame grijns van superioriteit speelt om haar lippen. We zijn duidelijk niet haar type. Zodra ze als een amazone schrijlings op haar stoel plaatsneemt, begint ze met overduidelijke tegenzin op het toetsenbord van haar computer te rammelen. Het is duidelijk: ze heeft er de pest in.
Voor ik het door heb, ben ik lid geworden van het jury-gilde. Ik stuur een beoordelende blik terug naar de vrouw die zich waant als de koningin van de poli interne geneeskunde: tussen de vijfenveertig en vijftig, blond, te mager voor het mooie. Rimpels rond de mond, waarschijnlijk niet van het lachen. Grote Bambi-ogen. Voor wie niet weet wie Bambi is: een jong, onschuldig hertje wiens moeder door jagers is doodgeschoten.
Mijn blik zakt verder naar beneden en blijft hangen bij een paar Gina Lollobrigida’s. Ze lijkt er zelf behoorlijk trots op. Haar korte, grijze jasje sluit met één knoop, net onder haar boezem, waardoor het indrukwekkende stel maximaal in de etalage ligt.
Nu denk je vast dat ik aan het kiften ben. Nee. Moeder Natuur heeft mij ook niet overgeslagen, maar ik loop er niet mee te koop als een wandelende reclame voor push-up bh’s. Toch heb ik iets positiefs te melden: de dame is een doorzetter. Terwijl ze met de kalmte van een zenmeester alle wachtenden te woord staat, houdt ze haar plas op. Bij mij was de sproei-installatie allang opengesprongen!
Voor me is de rij geslonken, eindelijk ben ik aan de beurt voor haar screening. Daarna beland ik in de ongezellige wachtkamer, waar ik op een hard plastic stoeltje mag neerstrijken. Mijn rug protesteert meteen. Gelukkig heeft mijn specialist haar boterhammen op en mag ik al snel haar spreekkamer binnenstappen. Na een goed gesprek komt er een einde aan mijn ziekenhuisperikelen. Met een glimlach loop ik de deur uit. Tot over drie maanden. Ook dan ben ik beslist op tijd. Lekker mensen kijken!
© Sophie Dijkgraaff

